Thursday, April 26, 2007

Januari t/m maart 2007

Op 13 januari halen we de laatste spanten met de hulp van de vrijwilligers van Bos 't Ename en een prachtig Bretons trekpaard uit het bos . Het paard maakt drie tochten en als het voor de laatste keer de slee uit het bos trekt loopt het zweet tappelings van zijn flanken naar beneden en hangt er een wasem van damp om het beest . We zijn allemaal moe , maar de sfeer is uitgelaten . We hebben alles bij elkaar!
Nu we alle spanten bij mekaar hebben begint alles bijzonder vlug te gaan . We hebben de ervaring nu, disselen en klaarmaken van de spanten duurt maar een derde van de tijd meer . Dank zij het voorbereidende werk staat het roefje op amper een week tijd recht . Maar de tijd gaat ook bijzonder snel, de deadline nadert .
26 januari: Ilja en Matthias halen samen met een paar mensen de lariks die voor de mast moet dienen uit het bos van Beloeil . Het is een zware dobber, maar hij is lang genoeg om er nog een reservemast uit te halen . Wat we ook zullen doen . Het eerste stuk wordt ontschorst en gekantrecht, het tweede stuk zal in de beek gelegd worden om het te uit te wateren, zodat het stabieler blijft .
29 januari wordt alweer een belangrijke dag: De mensen van D'n Bruinen komen ons helpen de boot op te krikken zodat we aan het kalefaatwerk kunnen beginnen . De legertent die al tien maanden de baarmoeder van ons bootje is wordt weggehaald . Voor het eerst kunnen we het resultaat van ons werk in de openlucht zien . We staan zelf verrast . De boot ziet er zo heel anders uit, nu . Stevig en toch rank, de verhoudingen zien er goed uit, ze is mooi!!! Paul heeft zijn Peapod bootje voor de gelegenheid meegebracht en we kunnen onze boot nu ook eens van de waterkant bekijken . Onder de leiding van Cees Droste en met twee grote ouwe vrachtwagenkriks brengen we de boot vrij snel op hoogte . Anderhalf uur na het begin ligt ze op een constructie van vier enorme eiken rondhouten en twee balken, en hebben we alles opgeschoord . We kunnen veilig werken . Tijdens het opkrikken heeft de schuit geen kik gegeven . Cees heeft ook het breeuwtouw en nog enkele breeuwijzers mee voor ons, en demonstreert nog hoe je het beste kunt kalfaten . Zijn commentaar als hij de onderkant van de schuit bekijkt is: "jullie hebben haar te goed gemaakt, je zult de naden moeten openkappen om te breeuwen " . En zo blijkt het ook tijdens de volgende dagen .
Het kalfaten neemt zo'n twee weken in beslag, en ondertussen maken we nog het opboeisel (de buitenste, hogere kant van het potdeksel ) en brengen het op zijn plaats . We werken de achtersteven af, leggen een vloer in het roefje, schaven we de mast, maken een gat in de mastbank en de mastspant, een spie om de mast vast te zetten ...
Na het kalfaten moeten we nog met een kleine 9000 kalfaatnagels de voegen tussen de vlakgangen dichtnagelen, maar dat gaat vlugger dan verwacht .
Ondertussen loopt ons contract ten einde, maar Claude Demarez vraagt of we nog een paar weken extra willen blijven; er moet nog een hellend vlak komen om haar te water te kunnen laten . Wat dacht je? Natuurlijk willen we!
Sinds de boot in de openlucht ligt hebben wind en regen vrij spel gehad, en er gebeurt iets opmerkelijks en moois: de bakboord zijkant die vooral in juni en juli door de hitte enigszins hol was komen te staan komt terug recht, beginnende barsten sluiten zich weer, voegen die open waren gekomen gaan weer dicht . Dit geeft goede hoop, maar hebben we nu een schuit gemaakt of wordt het een duikboot? De spanning stijgt ...
De hardhouten balken voor de helling komen net op tijd aan . We moeten de schuit wèl een stuk dichter tegen de waterkant brengen, dus laten we haar zakken op de rondhouten waarop ze gebouwd is, en rollen het gevaarte dat zo'n viereneenhalve ton weegt met zes man naar de kant . Eerst schommelen en dan duwen is de bootschap . Het gaat allemaal vrij vlot, maar op een moment slaat mijn hart een slag over; ik kijk naar de uiteinden en zie dat de hele boot scheluw staat: linkervoorkant en rechterachterkant staan een heelstuk omhoog . De verschillende dikte van rondhouten en de oneffen ondergrond zijn de boosdoeners . Maar ze rolt verder en zie: alles komt weer recht, en dat zonder dat iemand ook maar iets heeft horen kraken! Ze is niet alleen sterk, maar ook nog verdomd soepel, op het kritieke moment stond ze zeker 20 cm scheluw . Dan brengen we haar weer op hoogte, zodat we de helling er onder door kunnen bouwen .
Op die dag, 8 maart, beslissen we dat de schuit de volgende donderdag hoe dan ook in het water gaat . We werken in die laatste week de helling en alle details af . We maken gaten en boeistukken, zodat we haar kunnen aanmeren, maken snel nog een schep om te hozen, een loopplank en een paar gaffels, geven haar nog een laatste lik lijnolie, lopen alles na en hopen dat alles goed zal gaan .
15 maart . Het is prachtig weer, een uitzonderlijk zachte en heldere dag . Iedereen die betrokken geweest is bij het project en zich kon vrijmaken komt langs .
Wij zijn te druk bezig om zenuwachtig te worden; we leggen de touwen en banden rond de boot, halen zaagsel om eventuele lekken te kunnen dichten, leggen blokken klaar, smeren de helling in met bruine zeep, zetten de kriks klaar ...
Kort na de middag komt het landbouwvoertuig dat voor tegengewicht moet zorgen het terrein opgereden . We leggen de spanbanden vast, en halen de wiggen heel voorzichtig weg, vijf centimeter lager, telkens weer . Na een uur rust de schuit met zijn bodem op de helling . We halen de spanbanden weg, en ze blijft liggen .
heel rustig . Met een tiental mensen geven we haar op afspraak een laatste fikse duw en daar schuift de schuit vlotjes de helling af het water in . Voor we het beseffen komt de schuit alweer recht . De deining loopt uit tot halfweg de vijver, en daar drijft onze schuit, deint rustig mee met de laatste golven . Als we aan boord gaan vinden we een paar kleine lekken, niets dat niet snel verholpen kan worden . We kunnen het natuurlijk niet laten om een proefvaartje te maken, en duwen haar af met de gaffels . Eens op gang geboomd glijdt de schuit rustig door, en daar komt de eerste ontdekking al: ik sta achteraan om te sturen, en de dubbele "hoorns" van het achterspiegeltje dat we in de geest van de Meern maakten zijn perfect om de gaffel tegenaan te zetten en te draaien: de schuit stuurt met het gemak van een winkelkarretje!
De rest van de namiddag beleven we als in een roes; Succes is zoet ( ook al is het goed mogelijk dat de cervoise er ook voor iets tussen zat ...)

Op 16 maart had de schuit zo'n zes centimeter water binnen, wat eigenlijk een succes is voor een dergelijke constructie. We weten dat het hout in de komende weken water zal opnemen en dat de voegen zullen dichtzwellen . Eén lek werd van binnenuit dichtgebreeuwd, een mogelijk ander wordt opgevolgd en zal indien nodig gebreeuwd worden op het moment dat de boot terug zal opgetakeld worden voor de officiële tewaterlating . Die dag hebben we de mast nog rechtgezet en onze werkspullen opgeruimd . Toen we klaar waren was ik verbaasd hoe weinig je uiteindelijk nodig hebt om een boot te maken: mijn bestelwagentje was nauwelijks halfvol geladen ...

Wednesday, February 28, 2007

Augustus tot december 2006

Augustus
We nemen de draad terug op in de laatste week van augustus. In Aubechies heb je dan traditioneel de dagen van de experimentele archeologie. Dit jaar organiseerde de Archeosite een colloqium over de scheepsbouw in de Oudheid. Deelnemers komen uit Zwitserland (het team van Altaripa), Nederland (Tom Hazenberg), Tsjechië, Frankrijk, België. Na een wat aarzelende start en een aantal hoogst interessante lezingen komen de tongen los en krijgen we een levendige discussie rond de boot.

Elk heeft zijn eigen verhaal en ervaringen en deelt die vrijuit met de anderen. Van de Zwitserse collega's krijgen we naast een hoop gouden tips ook nog breeuwtouw (wat een aroma) en breeuwijzers cadeau. Bedankt lui! We leren dat de Altaripa lekt op de plaatsen waar de spijkers door spant en vlakgang heen gaan en omgeslagen werden, en dat de spanten en knieën barsten op dezelfde plekken als bij het origineel. Dingen om in het oog te houden. Over de aard van het breeuwsel hebben we een discussie met Tom Hazenberg, maar een sluitend (!?!) antwoord hebben we nog niet wegens gebrek aan evidentie bij de Pommeroeul. Er is breeuwsel gebruikt, maar wat?

Een heel spannend verhaal is de vondst van graanresten op een van de" Woerden" boten, waartussen onkruidzaden aangetroffen werden die typisch zijn voor de streek waar we nu aan de reconstructie van de Pommeroeul bezig zijn. Een link tussen Hier en de Limes? Wie weet...

September en oktober
In september en oktober passen we de spanten aan aan de kimmen en de vlakgangen van de boot en beginnen we de spanten van het midden uit vast te leggen en te nagelen. Het grootste probleem is het tegen elkaar spannen van de "shell" zonder die te laten omklikken. Eerst proberen we met touw en een tourniquetsysteem, waarbij we bovenaan tussen de zijkanten balken steken om scheeftrekken te voorkomen. Dat lukt wel, maar geeft niet altijd het gewenste resultaat. Teveel spanning deugt niet, de constructie moet gewoon goed sluiten, en als je dit systeem gebruikt trek je de boot wel dicht aan een kant, maar kunnen de voegen op andere plaatsen open komen. Tijdens een bezoekje van Cees Droste en nog enkele mensen van het D’n Bruinenproject (Rupelmonde) komt de volgende oplossing naar boven: werken met een kaderwerk van balken om de boot heen en opwiggen waar nodig. Dit werkt perfect!

Cees heeft nog meer schitterend nieuws voor ons: niet alleen heeft hij breeuwtouw voor ons opgeduikeld, maar hij wil ons graag komen helpen met het kalfaten als het zover is. En alsof dat nog niet genoeg is, vindt hij ons werk goed. Echt wel een hart onder de riem van een man met zoveel ervaring als Cees. Ons zelfvertrouwen groeit...

Ook vlakgangen die in de afgelopen tijd ietwat teruggekeerd zijn kunnen we met kaders en spieën (weliswaar in combinatie met opnieuw branden) op hun plaats dwingen. Het aanpassen en disselen van de spanten gaat steeds vlotter, maar we zien onze voorraad spanten en spijkers schrikwekkend snel slinken.... De smeden kunnen niet volgen en nieuws over de tweede lading hout voor spanten laat op zich wachten.

12 oktober is een donkere dag voor ons allemaal. Na een vol leven en een slopende ziekte stopt het grote hart van Leonce Demarez met kloppen. Leonce heeft de Archeosite met eigen handen uit het niets opgebouwd, hij lag mee aan de basis van de opgravingen in Blicquy en Pommeroeul. Met zijn enthousiasme en drive trok hij honderden mensen binnen in de wondere wereld van experimentele archeologie en levende geschiedenis. Leonce, onze druïde, we missen je. Wees gerust, Leonce, we werken de Schuit af, om jou te eren. Leonce wordt de maandag daarop ten grave gedragen op een manier een groot stamhoofd waardig.

In de derde week van oktober leggen we de laatste beschikbare spanten in de boot. Het wordt stilaan een probleem, dat tekort aan spanten, en we hebben nog steeds geen nieuws uit Luxemburg. Dus kijken we wat we verder nog allemaal kunnen doen. We maken de gangboorden klaar voor naast de kajuit, we maken de mastbank, we maken de stijlen en beplanking voor de kajuit klaar, we maken, plooien en zetten het middelste stuk van het potdeksel vast. Vooral dat laatste werkje verstevigt de constructie enorm. Als je nu in de boot staat en iemand tikt op de andere kant voel je de trilling door je schoenzolen heen. Ineens wordt de romp van de schuit een enorme klankkast. Dit is een goed teken…

November
Nog steeds geen nieuws over de spanten. Het spijkerprobleem raakt opgelost als de smeden, die enkel in de weekends kunnen werken, toch maar besluiten om met de valhamer te gaan werken. Niet echt historisch verantwoord, maar wat moet je met een beperkt budget en weinig tijd? De productie van de spijkers stijgt meteen van 25 naar 120 stuks per weekend. We maken ondertussen de binnenkanten van de potdeksels klaar en monteren ze met bouten, zodat ze zich kunnen plooien naar de lijn van de schuit, en we ze terug kunnen losmaken om de ontbrekende spanten in de romp te leggen. Als we die maar kunnen krijgen....

In afwachting beginnen we maar met het roer. Na opzoekwerk besluiten we dit te maken in de vorm van een roer dat naar boven gekomen is bij de opgravingen in Zwammerdam, maar dan in verhouding tot de lengte van onze reconstructie. Het blijft nog steeds een enorm stuk met een lengte van zo'n vier meter, en met valse pennen en deuvels in elkaar gezet. Hoe het bevestigd en gebruikt moet worden is nog maar de vraag. En alweer komt er hulp uit onverwachte hoek: Roos van Oosten van HazenbergArcheologie stuurt een mailtje over een colloqium in Lelystad eind november dat “Zin en onzin van de reconstructiebouw van historische schepen" zal behandelen. We praten erover met ons kleine groepje en besluiten er heen te gaan. Ook Paul wil mee. Een paar dagen later krijg ik (alweer!) van hem een gouden tip: "Ga eens op de site van de RACM naar de Meern I kijken. 't is de moeite waard." O wauw! Hoe hebben we dat kunnen missen? De Meern I is het grote oudere broertje van de Pommeroeul. Als ik de foto's zie stijgt de opwinding met de minuut. Er zijn zoveel gelijkenissen dat de schepen bij Woerden en Zwammerdam ineens maar verre neven meer lijken. De opbouw van de romp is zo gelijkend, de stuikverbindingen en de vlakgangen, de ingekapte zigzaglijnen dwars over de vlakgangen om die beter te kunnen doen buigen, ze lijken bijna door dezelfde handen gemaakt. Alsof dat niet genoeg is heeft de Meern ook nog een roefje, net als de Pommeroeul er een moet gehad hebben. De gangboorden lijken ook heel erg op elkaar, en als kers op de taart is de Meern nog compleet aan beide uiteinden.


Het colloqium en het aansluitende bezoek aan de Meern zij toppers. De lezingen en de daaropvolgende discussies zijn op zich zeer verrijkend en scherpen de geest aan. Dat sommige deelnemers af en toe een beetje provocerend uit de hoek komen, en de hele praatcultuur is voor ons Belgen nieuw en verfrissend. Wat niet wegneemt dat we een grijns niet kunnen onderdrukken als een van de sprekers de stelling poneert dat 1 op 1 reconstructies enkel een dure hobby voor techneuten zouden zijn en dit staaft met verwijzingen naar de werkomstandigheden zoals die op de werven in Nederland zijn. Een dure hobby? Toch even een bedenking en een vergelijkingetje: Reconstructie van de Pommeroeul enerzijds en het Meernproject anderzijds: twee best vergelijkbare boten (ongeveer daterend uit dezelfde periode, van vergelijkbaar type en grootte, de Meern is net iets langer dan de Pommeroeul), bij de reconstructie wordt er bij allebei de concessie gedaan om moderne middelen (kettingzaag,...) te gebruiken. Alleen werken ze daar bij Utrecht met zo'n 15 man, in een loods met alles erop en eraan, met een tijdslimiet van twee jaar, terwijl wij het met amper drie man in een ouwe legertent op één jaar moeten klaren. In die context kan ik de spreker in kwestie toch ergens gelijk geven, maar eigenlijk hoor je het hele plaatje te bekijken en niet alleen de waarde voor historici maar ook de maatschappelijke relevantie zien. Uit ervaring weet ik dat mensen met een laag zelfbeeld en krassen op hun ziel een boost van zelfvertrouwen krijgen als ze aan dergelijke projecten kunnen deelnemen. Het kan hun hele visie op zichzelf en de maatschappij diepgaand veranderen en hen een nieuwe start bezorgen. Dikwijls betekent het dat ze na dergelijk project actief worden op de arbeidsmarkt. Hun interesseveld wordt aanzienlijk breder en hun enthousiasme om creatief en opbouwend bezig te zijn werkt aanstekelijk. Ik weet het, het is een neveneffect, maar wel degelijk betekenisvol. Nog afgezien daarvan kun je aan de hand van simulaties en schaalmodellen wel een algemeen beeld krijgen, maar dat is nog heel wat anders dan de unieke ervaringen die je krijgt door "the real thing" te maken en te varen... Ga je alleen voor de droge stof, of ga je de hele weg? Veel geluk, collega's botenbouwers! Ga vooral door!
Tijdens het symposium kregen we nog een extra rondleiding bij de NISA (RACM), waar we de Meern 1 van heel dichtbij en met Frank Dallmeyer's deskundige uitleg van heel dichtbij konden bekijken . Dit is echt heel bijzonder! De foto's waren al bijzonder, maar de Meern zelf kunnen zien is voor ons uniek. Zoveel vergelijkingspunten hou je niet voor mogelijk. Als we niet beter wisten (dendrochronologische datering geeft zo'n vijftig jaar verschil) zou je kunnen veronderstellen dat ze van dezelfde werf kwamen....Bedankt voor jullie waardevolle hulp, Gerbrand Moeies, Frank Dallmeyer, Jaap Morel!!

December

December komt en we krijgen nieuws van de spanten. Het kapseizoen is erg laat begonnen en Georges vertelt ons dat we de bomen ten vroegste in januari kunnen krijgen. Dit is veel te laat, de schuit moet eind februari klaar zijn en zonder alle spanten erin kunnen we niet breeuwen. We moeten dus een andere oplossing zoeken. Na heel wat telefoneren vinden we de mensen van "Bos 't Ename" bereid ons te helpen. Ename bij Oudenaarde heeft een verleden dat minstens teruggaat tot de tiende eeuw, en het Bos 't Ename werd al sinds die tijd geëxploiteerd door de monniken van de plaatselijke abdij. Leuk om weten is ook dat ook toen op deze plaats bomen werden gekapt voor boten- en molenbouw. Bos 't Ename wordt nu beheerd door vzw Natuurpunt, met hulp van lokale vrijwilligers. We zijn heel blij met hun hulp, en gaan met Pieter, de boswachter geschikte exemplaren gaan zoeken. Het kappen nemen we voor eigen rekening, zij helpen ons met het uitslepen, vanaf de bosrand in elk geval. Helaas heeft hun paardenmenner een kwetsuur opgelopen en daardoor buiten strijd.
Enamebos ligt er bijzonder nat en drassig bij. Gewoon stappen is al erg zwaar in de zompige klei, laat staan stammen uit het bos halen. Daarom besluiten we de spanten ter plekke te kantrechten om zo het gewicht te beperken. Het werk is erg zwaar, maar de oogst is groot. We hebben de veertien laatste spanten plus nog een aantal kniestukken en kunnen de boot binnenin eindelijk afwerken en hem klaarmaken voor het kalfaten. Nog zeven weken te gaan. Het zal lastig worden, maar we hebben vertrouwen....

Tuesday, September 19, 2006

begin september

De boot heeft nu steeds meer vorm gekregen, op dit moment liggen alle bodemplanken op hun plaats en hebben we zo'n acht spanten klaar. De lente kwam pas laat op gang en ging heel snel over in een hete zomer, die pas de laatste week een beetje minder fel werd. En ons kleine team wordt er alleen maar hechter op. In de volgende fase zullen we de spanten aanbrengen in de boot, het potdeksel maken en bevestigen, en de boot keren en kalefaten. Maar dat is een ander verhaal. ...

Authenticiteit en concessies

Er zal natuurlijk altijd discussie zijn over de authenticiteit van de werkwijze die wij toegepast hebben. Twee concessies hebben we moeten doen. De een ten aanzien van de lengte van de boot en de ander ten aanzien het planken plooien.

Hoe breed moet de reconstructie worden?
Op het moment dat de sluitbalken allebei klaar waren kwam er een levendige discussie op gang. Omdat het in onze dagen quasi onmogelijk is om bomen van dezelfde grootte als die van het origineel te vinden kon onze schuit nooit even groot worden als het origineel. De hamvraag was: houden we dezelfde breedte aan als de Pommeroeul of werken we proportioneel om de rankheid van de boot te behouden? Enkelen waren van mening dat alle platbodems van die periode een standaardbreedte hadden, nl. 10 Romeinse voet. Dan maar de site van Navis uitgepluisd, en toen kwamen we tot de constatering dat de breedte van relevante boten varieerde van 130 cm tot meer dan 5 meter. Uiteindelijk besloten we 10 cm van de breedte af te halen, wat alleen ten goede kwam aan de lijn van de boot: van een brede platte bak veranderde die plots in een rank vaartuig.

Planken plooien
Wat betreft het planken plooien. Er zijn op de originele platbodemschuiten uit de IJzertijd inderdaad geen schroeisporen gevonden aan de binnenkant van de boten, behalve dan op vuurplaatsen. Ik heb er geen idee van, maar heeft iemand al eens nagegaan wat de gemiddelde "werkende" leeftijd van dergelijke vaartuigen was? Het zou me niet verwonderen dat ze gemiddeld zo'n 30 à 40 jaar meegingen. Kijk maar eens na hoe oud het Oseberg en het Gökstadt schip waren toen ze als graf gebruikt werden. En vergeet vooral niet dat de Platbodemschuiten "werkende" schepen waren, een waardevol goed dat toch wel een paar generaties mee moest kunnen gaan. Hoeveel schroeisporen gemaakt tijdens de bouw zul je na dertig, veertig jaar intensief gebruik zal je nog weervinden als de boot bovendien nog eens 1700 jaar onder de modder gelegen heeft? Dit nog afgezien van slijtage veroorzaakt door de lading.

Tuesday, August 15, 2006

Beging augustus





Monday, July 24, 2006

Spanten

In de laatste week van juli begonnen we met het maken van de spanten. Deze stukken zullen samen met het potdeksel en de op de site gesmede nagels voor de stevigheid van de hele structuur moeten zorgen. De L-vormige spanten, gemaakt uit halve stammen eik met haakse zijtak, worden voorgezaagd, onderaan vlakgeschaafd en daarna gedisseld. Nu, begin september, hebben we zo'n 20 spanten klaar.

De eerste spanten krijgen vorm.



een barst

Zo stop je een barst in een plank.