Archeologie in Nederland



Water en ijs
Nederland heeft zijn huidige vorm vooral te danken aan water. Enerzijds voerden de grote rivieren allerlei materiaal mee van de bergen naar de zee, anderzijds was het de zee zelf die hier zand en klei heeft afgezet. Zo ontstond de delta waarin Nederland ligt. Ook ijs bepaalde voor een groot deel ons landschap. Tijdens koudere perioden (ijstijden) schoven immense ijskappen in zuidwaartse richting, die op hun tocht allerhande materiaal vermorzelden en meevoerden. Niet alleen bleef dit hier achter, door grote waterstromen en het geweld van het ijs werden ook dalen uitgesleten en de ondergrond opzij geschoven. Zo ontstonden stuwwallen als de Havelterberg en de Utrechtse Heuvelrug. In de laatste ijstijd werden de verdere contouren aangebracht. De ijskap bereikte toen niet ons land maar er heersten hier wel polaire omstandigheden. Vanuit de drooggevallen Noordzee werd zand over een groot deel van Nederland uitgeblazen. Dit dekzand is naderhand in de kuststreek (en op andere laaggelegen plaatsen) onder een dik pakket veen verdwenen. De zee heeft hier tenslotte ook nog zijn invloed aangewend.
De ‘oer’mens
In het gebied dat uiteindelijk de toepasselijke naam Nederland kreeg, hebben zo’n 250.000 jaar geleden de eerste mensen hun voetstappen achtergelaten. Dat waren overigens geen ‘gewone’ mensen, zoals wij, maar een uitgestorven mensenras, de Neanderthaler. Deze ‘oer’mensen sloegen hier hun kampement op en maakten, afhankelijk van de omstandigheden (een koudere of warmere periode maakte veel verschil), jacht op allerlei wild dat zich hier ophield. Daartoe behoorden dieren als de wolharige neushoorn en de mammoet. Zo’n 35.000 jaar geleden verdween de Neanderthaler van het toneel. In hoeverre zijn opvolger, de Homo sapiens, daar de hand in heeft gehad, is onduidelijk. Wij stammen in ieder geval met zijn allen af van deze ‘moderne mens’.
Rendierjagers
De ijstijden leverden niet alleen een bijdrage aan het ontstaan van ons land, maar vormden ook onderbrekingen in de menselijke bewoning. Alleen in de warmere tussenfasen (als ook de dieren zich weer in onze contreien waagden) hielden zich hier mensen op. Zo ook aan het eind van de laatste ijstijd, toen het landschap veel gelijkenis had met een toendra. De nieuwkomers maakten vooral jacht op de kuddes rendieren die hier rondtrokken. Omstreeks 9.600 v.Chr. brak er definitief een warmere periode aan. In deze klimaatsfase, het Holoceen, bevinden we ons nog steeds. Open parklandschap veranderde in betrekkelijk korte tijd in uitgestrekte naaldbossen, die in de loop der tijd plaats maakten voor dichte loofbossen.
Jagen en verzamelen
Deze veranderingen hadden ingrijpende gevolgen voor de mens. Zo moesten ze hun jachttechnieken aanpassen, want in de bossen hield zich ander wild op. In de loop der tijd werden die loofbossen zo dicht dat men steeds meer de open plekken langs rivierlopen en meren opzocht. Van daaruit werd jacht gemaakt op (klein)wild en verzamelde men wilde vruchten en zaden. Ook werd er vis gevangen. Men leefde van wat de natuur opbracht en trok daarbij in kleine groepjes rond binnen een bepaald territorium. Door de zeespiegelrijzing kwamen de mensen die in het Noordzeebekken vertoefden in de verdrukking en moesten uitwijken naar hogere gronden.
Van jager tot boer
Vanaf omstreeks 5300 v. Chr kwam aan het rondtrekkende bestaan van de jager-verzamelaars geleidelijk een eind. Dat had te maken met de landbouw die in het zuiden van ons land zijn intrede deed. Het duurde echter nog zo’n 2000 jaar voordat in het hele land sprake was akkerende boeren. De jager-verzamelaars werden namelijk niet van de ene op de andere dag boer, maar namen gaandeweg steeds meer elementen over. Tenslotte gingen ze zelf graan verbouwen en vestigden zich met hun vee op vaste plekken bij de akkers. Aardewerk en stenen bijlen, twee verworvenheden die de eerste landbouwers hier hadden geïntroduceerd, waren toen allang gemeengoed. Op plaatsen waar grote zwerfkeien aan het oppervlak lagen, bouwden ze hun monumentale grafkelders (de hunebedden). Naderhand veranderde men van grafgebruik en wierp een aarden heuvel op over de laatste rustplaats van een overledene.
Het eerste metaal![]()
Hoewel in de eindfase van de Steentijd koper al wel bekend was en hier en daar gouden sieraden in graven zijn aangetroffen, is het aantal vondsten te gering om van een ‘metaaltijd’ te kunnen spreken. Dat veranderde omstreeks 1950 v.Chr. toen de eerste bronzen voorwerpen ons land bereikten. Al snel ontwikkelde zich hier een eigen bronsindustrie. Overigens kon alleen een kleine groep mensen zich een bronzen voorwerp (sieraad of wapen) veroorloven. Het metaal, een legering van koper en tin, was erg kostbaar. Soms werden bronzen giften meegegeven aan de doden. Andere bronzen voorwerpen komen uit een ‘natte’ omgeving en duiden op rituele activiteiten. Inmiddels was de mens volop boer geworden, wat blijkt uit de bouw van boerderijen die aan mens en dier onderdak boden. Ook leidde het boerenleven tot steeds grotere ingrepen in het landschap.

Celtic fields
Het gebruik van brons (en vuursteen) werd vanaf ca. 800 v.Chr. verdrongen door ijzer. Dit metaal had als voordeel dat het harder was en bovendien in ons land als grondstof (in de vorm van ijzer’oer’) voorhanden was. Toch zou het nog eeuwen duren voordat ijzer algemeen werd toegepast. Uit deze (IJzer)tijd stammen ook de zogeheten celtic fields: omvangrijke, aaneengesloten akkercomplexen van vierkante en rechthoekige perceeltjes die omgeven zijn door lage wallen. De contouren hiervan zijn op enkele plaatsen in ons land nog te zien. Doordat de druk op de zandgronden te groot werd, trok een deel van de bevolking naar andere beschikbaar gekomen gebieden, zoals de vruchtbare kwelders in Noord-Nederland. Ook elders in het kustgebied breidde de bewoning zich uit.
Overheersers
Met de komst van de Romeinen werd een nieuwe episode ingeluid. Niet alleen werd het zuidelijke deel van ons land veroverd, de Romeinse soldaten introduceerden hier ook tal van nieuwigheden. Pogingen om ook het gebied ten noorden van de grote rivieren in te lijven mislukten en uiteindelijk werd de Rijn tot noordgrens (limes) van het Romeinse Rijk verheven. Op de zuidelijke oever bouwden de bezetters een serie forten. Hier kwam, evenals op andere legerplaatsen, een levendige handel tot ontwikkeling en ontstonden nieuwe nederzettingen. Door ruilhandel en contacten drongen ook in het noorden de veranderingen door. Bovendien had het Romeinse militaire optreden ook hier de nodige impact.
Het nieuwe geloof
Na de val van het Romeinse rijk brak een periode van onrust aan. Ook ons land werd ermee geconfronteerd. Of hier sprake is geweest van grootscheepse volks bewegingen, is overigens de vraag. Elders in Europa sloegen bevolkingsgroepen op de vlucht en zochten hun heil in andere streken. Aan deze onrust kwam een einde toen Franse vorstenhuizen – eerst Merovingisch, vervolgens Karolingisch en met dezelfde aspiraties als de Romeinen – hun imperium uitbreidden. Tenslotte was aan eind van de 8ste eeuw heel Nederland ingelijfd. Met de komst van de Franken nam ook de verkondiging van het Christendom een vlucht. Al dan niet goedschiks werd de bevolking aan het nieuwe geloof onderworpen, hoewel men nog lang bleef vasthouden aan heidense gebruiken. Tenslotte kreeg in de loop van de 9de eeuw ook de bekering van Noord-Nederland zijn beslag. De oudste kerken dateren uit die tijd, de Vroege Middeleeuwen. Ze werden (bij gebrek aan stenen) doorgaans eerst uit hout opgetrokken. Op sommige plaatsen staan ze op de resten van oude heiligdommen.
Nederland krijgt vorm
Nadat Nederland in de loop van de 9de eeuw nog geruime tijd te maken kreeg met strooptochten van de Vikingen, brak er een periode van welvaart aan. Hierdoor nam de bevolking toe. Samen met veranderende machtsverhoudingen en nieuwe technologische ontwikkelingen leidde dit tot de ontginningen van veengebieden. De Kerk speelde daarbij een belangrijke rol. Door de groeiende handel kwamen vanaf de 13de eeuw bovendien de steden tot bloei. In deze periode kreeg Nederland zijn huidige vorm. In het westen en noorden van ons land werd de zee beteugeld door de aanleg van dijken, vonden inpolderingen plaats en zette de mens het landschap steeds meer naar zijn hand. Op de zandgronden daarentegen veranderde vooralsnog weinig. De gebieden die in de prehistorie de basis vormden voor een wankel boerenbestaan, waren ‘woeste gronden’ geworden en dienden voor het steken van plaggen en het weiden van vee. Met de komst van kunstmest gingen hier de grote ontginningen van start en kreeg het landschap er een volstrekt ander aanzien. De industrialisatie van Nederland, die ons land de afgelopen 150 jaar verder vorm heeft gegeven, had toen al een aanvang genomen.




